|
|
|||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||
|
Het lelijke konijntje Vorig jaar in de lente was er en voedster (vrouwtjes konijn) die een hele leuke rammelaar (mannetjes konijn) had gezien in het veld. Ze was helemaal verliefd geworden op zijn mooie oren en zijn lieve wiebelstaartje. Ze vond hem zo leuk dat ze hem op een dag mee uit vroeg naar een worteltjesfeest op het weiland. Het klikte zo goed tussen de twee konijnen dat het een stelletje werd. Ze groeven samen een nieuw holenstelsel en gingen hierin wonen. Op een avond hadden ze het gehad over kinderen krijgen en zo gebeurde het dat ze die avond samen in het hol in gingen. Het vrouwtje raakte zwanger en was in blijde verwachting van de jonge konijntjes. Zo'n 19 dagen later voelde de voedster dat het niet lang meer kon duren voordat ze moest bevallen. Haar instinkt zei dat ze een wentel moest graven. Een wentel is een kort holletje, met aan het einde een kamer waar de jongen geboren worden. Toen na een middag graven de wentel klaar was vond ze het wel een beetje kaal in de baarkamer en begon zomaar haar borsthaar uit te trekken en hiermee de vloer van de kamer te bedekken. Daarna verliet ze de wentel. Twee dagen later op de 21e dag keerde ze terug naar de wentel. Ze voelde dat het tijd was om te werpen en ging naar binnen in de warme wentel. Nog geen uur later lagen er 5 jonge konijntjes, die ook wel lampreien genoemd worden, in de wentel op het warme dekentje van haar van de moeder. Ze waren kaal en hadden de oogjes nog dicht, zo klein en onbehulpzaam. De moeder had honger gekregen van het baren en wou op zoek naar wat eten, maar voordat ze ging eten zou ze eerst de wentel goed afdekken, omdat er anders roofdieren bij zouden kunnen komen. Die roofdieren zouden dan de jonge konijnen kunnen opeten en dat wou moederkonijn natuurlijk niet. Dus maaide ze wat gras met haar tanden. Dit legde ze over de ingang van de wentel en ging daarna hier overheen pekelen (plassen). Op deze manier de wentel afsluiten noemen we ook wel zekeren. Dit doen konijnen omdat de roofdieren niet zo van konijnenplas houden. Daarna ging de voedster rustig eten en toen ze daarmee klaar was ging ze naar het holenstelsel. Hier ging ze nog even lekker liggen slapen en de volgende dag ging ze weer naar haar jongen om ze te voeden. Zo ging dat een paar weken door tot de jongen hun oogjes open hadden en wat haar hadden gekregen. Op een dag kwam moeder konijn weer bij haar wentel. Die dag waren er echter geen 5 jonge konijntjes, maar 6. Er was er eentje bij gekomen, maar hoe kon dat nou? Dit konijntje kwam ergens anders vandaan. Hij was met zijn broertjes aan het spelen toen hij plotseling in de wentel was gevallen. Het konijntje zag er wel een beetje vreemd uit, want het had hele lange oren, veel langer dan die van de andere konijntjes en hij stond wat hoger op zijn poten. Het konijntje bleef echter en na een paar dagen wisten ze niet beter dan dat dat konijntje erbij hoorde. Ze praatten er niet over waar hij vandaan kwam en werd opgenomen in de groep. Maar toch zag hij er anders uit. En toen de jonge konijntjes naar buiten moesten om van alles van moeder te leren leerden ze dat ze hun eigen keuteltjes opnieuw moesten opeten, omdat dit gezond is voor konijntjes, hier zitten namelijk nog heel veel vitamines in. Ook leerden ze dat alle konijntjes netjes hun behoefte op een plaats doen. Die plaats noemen ze ook wel latrines, oftewel toiletjes voor konijnen. Moeder wees hen er ook op dat er roofdieren zijn, de meeste konijntjes hadden nog nooit een roofdier gezien, maar ze wisten wel dat als er gevaar dreigde dat een paar konijnen dan met hun achterpoten op de grond gingen stampen. Moeder konijn noemde dit ook wel roffelen. Dus als dat gebeurde moesten de konijntjes zo snel mogelijk naar het holenstelsel. En zo deed ook dat lelijke konijntje rustig mee met al deze dingen. Er was ook nog een ding belangrijk. De konijntjes moesten elke dag een beetje knabbelen, zodat hun tandjes konden slijten, want moeder had verteld dat als ze dat niet deden, dat dan hun tantjes heel lang zouden groeien en dat ze dan niet meer konden eten. Daar waren ze dus heel erg bang voor en daarom deden ze allemaal braaf wat hen werd gezegd, zo ook het lelijke konijntje. Het lelijke konijntje werd veel gepest door zijn broertjes en zusjes, omdat hij er vreemd uitzag. Vaak schelden ze hem uit voor lelijkerd of flapoor. Dit vond het lelijke konijntje natuurlijk helemaal niet leuk. Op een dag was hij het helemaal zat en besloot om weg te lopen. Na ver lopen, door akkers, over straten en zelfs over een brug, kwa hij in een weiland dat er precies zo uitzag als het paradijs in zijn dromen. Hij dacht bij zichzelf: " nu ben ik eindelijk waar ik wil wezen". En toen hij nog iets verder liep zag hij een eindje verderop een beest zitten dat er net zo uitzag als hijzelf. En verderop nog een. Toen hij naar deze toe liep bleef die rustig zitten en wachte tot het lelijke konijntje bij hem was. Het lelijke konijntje strak hem aan en vroeg of hij ook een konijn was. Maar het dier antwoordde: "Nee ik ben een haas." En toen herinnerde het lelijke konijntje het zich opeens weer. Hij was geboren in dit weiland en hij was helemaal geen konijn, maar een haas. En zo werd het lelijke konijntje een mooie haas. Hij was trots op zijn lange oren en zijn grote achterpoten. Hij voelde zich helemaal thuis. De grote haas die nog steeds naast hem zat vroeg het haasje mee naar de rest van de groep te gaan en stelde hem daar voor. Tot zijn grote verbazing zag hij daar zijn echte moeder en echte broertjes en zusjes. En het mooie haasje was dolgelukkig. Ondertussen wa het bij de konijnen al opgeballen dat het lelijke konijntje weg was, maar zij hadden hier verder geen tijd aan besteed, omdat er wel vaker konijntjes verdwenen. Dit kwam meestal door jagers, of door een hele erge konijnenziekte (myxomatose). Maar wat ze niet wisten was dat het lelijke konijntje, dat eigenlijk een mooi haasje was zijn eigen familie had teruggevonden. En zo leefde het mooie haasje nog lang en gelukkig.
|
|
||||||||||||||||||||